Verf vult niets op. Een scheur die alleen wordt overgeschilderd, staat na een paar maanden weer in de wand. Het herstel begint daarom met vaststellen wat voor scheur u voor zich heeft.

Krimpscheuren en zettingsscheuren

Krimpscheuren ontstaan doordat de stuclaag uitdroogt en werkt. Ze zijn haarfijn, de breedte is over de hele lengte ongeveer gelijk, en ze verschijnen op vaste plekken: de aansluiting van wand en plafond, de overgang tussen twee materialen, rond kozijnen en langs gipsplaatnaden. Deze scheuren zijn te vullen.

Zettingsscheuren komen uit de constructie. Waar u ze aan herkent:

  • diagonaal verloop, meestal vanuit de hoek van een raam- of deuropening;
  • de breedte verschilt over de lengte, de scheur loopt taps toe;
  • de scheur loopt door in het metselwerk en is soms aan de andere kant van dezelfde wand op dezelfde plek terug te vinden;
  • de randen liggen niet in één vlak, u voelt een hoogteverschil met uw vingertop;
  • de scheur is na een eerdere reparatie teruggekomen.

Let ook op deuren of ramen die zijn gaan klemmen, en op scheuren in het buitenmetselwerk op dezelfde hoogte.

Wat eerst onderzocht moet worden

Vul geen scheur waarvan u niet weet of hij nog beweegt. Bij de kenmerken hierboven laat u eerst de oorzaak bouwkundig vaststellen. Dat geldt ook voor elke scheur die na herstel is teruggekomen.

Beweging stelt u vast met een merk over de scheur: een gipsmerkje, of twee markeringen waarvan u de afstand over een aantal maanden volgt. Stucwerk werkt mee met het stookseizoen, dus haarscheuren kunnen in de winter iets openstaan en in de zomer weer sluiten. Pas wanneer een scheur over de jaren breder wordt, zit de oorzaak in de constructie.

Uitfrezen en vullen

Een scheur die oppervlakkig wordt dichtgestreken, houdt te weinig vulmassa vast. Daarom gaat de scheur eerst open.

  • Krab of frees de scheur V-vormig uit, over de hele lengte en iets voorbij het uiteinde. De vulling krijgt zo dikte en twee schuine aanhechtingsvlakken.
  • Blaas het stof eruit. Stof in de scheur werkt als scheidingslaag.
  • Voorstrijk sterk zuigend gipswerk in de scheur. Anders trekt de ondergrond het water uit de vulmassa en bindt die niet door.
  • Vul in twee lagen. De eerste laag zakt bij het drogen altijd in. De tweede brengt het vlak op hoogte.
  • Werk niet bol. Bolstaande vulling moet weggeschuurd worden, en daarbij gaat ook de omliggende stuclaag mee.

Gaatjes van pluggen en schroeven: haal de plug eruit of drijf hem onder het wandvlak voordat u vult. Een plug die net onder de verf zit, tekent later af.

Naden die bewegen worden niet hard gevuld. De aansluiting van wand en plafond en die van wand en kozijn horen een elastische kitnaad te krijgen. Hard gevuld scheurt zo’n naad op dezelfde plek weer open.

Wanneer glasvlies de betere oplossing is

Bij een wand met een netwerk van haarscheuren of veel oude reparaties levert plaatselijk vullen een lappendeken op die onder strijklicht zichtbaar blijft.

Glasvliesbehang overbrugt de scheuren over het hele vlak en wordt daarna overgeschilderd met latex. Wij kiezen daarvoor bij:

  • meerdere scheuren in hetzelfde wandvlak;
  • haarscheuren die na eerder herstel zijn teruggekomen;
  • oud stucwerk met een netwerk van krimpscheuren;
  • een gevraagde egale afwerking op een onrustige ondergrond.

Renovlies vlakt een oneffen wand. Glasvlies is sterker en overbrugt scheuren die nog licht bewegen. Bij een actieve zettingsscheur lost geen van beide de oorzaak op. Beide vallen onder behang en wandafwerking; zit er nog oud behang op de wand, dan gaat dat er eerst af volgens behang verwijderen zonder schade.

Schuren en voorstrijken

Schuur met fijne korrel en een schuurblok of schuurgiraf, zodat de druk wordt verdeeld. Vulmiddel is zachter dan de stuclaag eromheen. Blijft u met schuurpapier op één plek, dan schuurt u een kuil die u onder de verf terugziet. Neem daarna het stof af, want voorstrijk hecht niet op schuurstof.

Voorstrijken maakt de zuiging van de reparatie gelijk aan die van de wand. Onbehandelde vulling zuigt het bindmiddel uit de eerste verflaag. Dat geeft een doffere plek die door twee lagen latex heen blijft aftekenen. Bij veel reparaties, een donkere kleur of een hogere glansgraad strijken wij de hele wand voor. De zuiging van de ondergrond bepaalt welke voorstrijk daarop past.

Strijklicht

Strijklicht valt onder een scherpe hoek over de wand: daglicht uit een raam aan de kop van het vlak, plafondspots dicht langs de wand, een wandlamp. Elk hoogteverschil geeft dan een schaduw, en die maakt afwijkingen zichtbaar die bij recht invallend licht niet opvallen.

Bij het beoordelen van een gevulde wand zetten wij daarom een lamp op de vloer, of houden wij een handlamp in het vlak van de wand. Met het licht in de rug ziet u het verschil niet. Wat onder strijklicht geen schaduw geeft, valt na het schilderen ook niet op. Hoe hoger de glansgraad van de afwerking, hoe strenger die controle moet zijn.

Voelen hoort erbij. Een vlakke hand over de reparatie merkt randen op die het oog bij vlak licht mist. Dat geldt dubbel wanneer de wand daarna gespoten wordt, want een gelijkmatige laag verbergt minder dan een gerolde.

Staan er naast scheuren ook vochtplekken of schimmel op de wand, dan is vullen niet de eerste stap. Zie schimmel en vochtplekken op binnenmuren.